Terug
Naar begin
Volgende oefening
Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd (over 'een ander' en 'ik') (2)
Zinnen over 'ik' en 'een ander' door elkaar.
Kies de juiste schrijfwijze. Kijk na en verbeter.
Zonder uitleg. Lukt je dat?
1) Ik bin
d
dt
t
mijn schaatsen onder.
2) De politie wor
d
dt
t
door de demonstranten bekogeld.
3) Hij geloof
d
dt
t
er niets van.
4) Je staa
d
dt
t
al een half uur te wachten.
5) De man win
d
dt
t
heel vaak de loterij.
6) Je heb
d
dt
t
er toch wel zorgvuldig over nagedacht?
7) De hele klas heef
d
dt
t
een traktatie gehad.
8) Wor
d
dt
t
ik ook gevraagd?
9) Ik stor
d
dt
t
me in elk avontuur.
10) Soms vraag ik me wel eens af of alles goed kom
d
dt
t
.
11) Ik vin
d
dt
t
er altijd wel iets.
12) Vin
d
dt
t
hij alles ook zo mooi?
13) Ik lan
d
dt
t
met twee voeten op de grond.
14) De bemanning van het vliegtuig lan
d
dt
t
zachtjes.
15) Er staa
d
dt
t
een trein klaar.
16) Er wor
d
dt
t
een persoon vermist.
17) Ik wee
d
dt
t
ook niet alles.
18) Men hoor
d
dt
t
wel eens wat.
19) Iedereen gaap
d
dt
t
en geeuw
d
dt
t
in de klas.
20) Bestaa
d
dt
t
de dinosaurus nog?
Kijk na
OK
Terug
Naar begin
Volgende oefening