Terug
Naar begin
Volgende oefening
Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd (je/jij erachter) (2)
Zinnen met je/jij achter de persoonsvorm.
Kies de juiste schrijfwijze.
Zoek uit of je de gewone regel of de uitzondering gebruikt.
Zonder uitleg. Lukt je dat?
1) Bran
d
dt
t
je je vingers niet?
2) Bran
d
dt
t
je kachel wel goed?
3) Waarom laa
d
dt
t
je de vrachtwagen uit?
4) Waarom laa
d
dt
t
je vrachtwagen zichzelf niet uit?
5) Wanneer laa
d
dt
t
je de hond uit?
6) Braa
d
dt
t
je het vlees in de oven?
7) Braa
d
dt
t
je oven het vlees wel mooi bruin?
8) Wie vermoe
d
dt
t
je dat er gewonnen heeft?
9) Hoe verzen
d
dt
t
je buurman zijn pakketje?
10) Hoe verzen
d
dt
t
jij je sms-jes?
11) Wanneer verzen
d
dt
t
je mij die contracten eens?
12) Hoe lang brei
d
dt
t
je tante over een sok?
13) Brei
d
dt
t
je je tuin nog eens uit?
14) Brei
d
dt
t
je hond zijn territorium uit?
15) Waaraan bestee
d
dt
t
jij allemaal je geld?
16) Met welk touw bin
d
dt
t
jij de de hond vast?
17) Met dat gereedschap schaa
d
dt
t
je de planten nog meer.
18) Benij
d
dt
t
je mijn zus ook zo?
19) Berei
d
dt
t
je die maaltijd helemaal zelf?
20) Schu
d
dt
t
je de kaarten even voor ons?
Kijk na
OK
Terug
Naar begin
Volgende oefening