Gewone regel:
Persoonsvormen in de tegenwoordige tijd over een ander schrijf je met een -t
(-den werkwoorden hebben dan toevallig -dt)
Uitzondering:
Als 'jij' achter de persoonsvorm staat schrijf je het zo simpel als je het hoort (en maak je het langer)
(Soms ook als 'je' achter de persoonsvorm staat, maar alleen als 'je' dan in 'jij' veranderd kan worden)
Voorbeeld:
Wordt je zus ziek? > Wordt jij zus ziek? (je kunt 'je' niet in 'jij' veranderen, dus de gewone regel geldt)
Word je ziek? >Word jij ziek (je kunt 'je' wel in 'jij' veranderen, dus de uitzondering geldt)